Historie

Prehistorie: de Zandtmannetjes
Sola Scriptura is als dispuut van de C.S.F.R. ontstaan in 1951, maar haar wortels grijpen verder terug, tot in 1950. In dat jaar werd een dispuut opgericht om de beginselen van de SGP te bestuderen. De zes oprichters van dit gezelschap (Van de Beek, Kersten, Kroese, Paul, Rijksen en Wienen) gingen door het leven als de ‘Zandtmannetjes’, naar de toenmalige leider van de SGP. Het bleek al snel dat de Zandtmannetjes niet helemaal strak in het SGP-patroon liepen: reeds op de derde vergadering kwam men tot een afwijkend standpunt inzake het vrouwenkiesrecht.

Op 26 oktober 1951 werd ten kaste van amicus H. Paul aan de Oudwijkerlaan 21 het SGP-dispuut opgeheven en in plaats daarvan sloot men zich aan bij de C.S.F.R. De C.S.F.R. was begonnen op een zomerkamp in het Gelderse Wapenveld als initiatief van Delftse studenten uit de Gereformeerde Gemeenten. Amicus G. van Leijenhorst werd tot praeses van het nieuwe Utrechtse C.S.F.R.-dispuut benoemd. Op de vergadering van 15 november 1951 werd besloten dat het dispuut Sola Scriptura zou gaan heten. Het doel van het C.S.F.R.-dispuut was gegrepen in het motto van amicus Van Leijenhorst: “Synthetisch te werk gaan om straks een antithetisch standpunt in te nemen.”

I. De jaren vijftig
De eerste twee jaar werd er met 10 tot 15 leden vergaderd op de kamers van leden. Dat
had als voordeel dat de contributie laag kon blijven: zij bedroeg niet meer dan fl 1,- per
jaar. Na twee jaar ging men echter toch in een apart gebouw vergaderen. De eerste
generatie C.S.F.R.’ers was intensief in gesprek met de beginselen. Niet alleen
theologische, maar ook allerlei maatschappelijke onderwerpen werden besproken. De
standpunten van leden konden uiteenlopen, wat leidde tot stevige discussies. Deze
discussies werden aanvankelijk enkel door mannen gevoerd, hoewel al op
31 maart 1952 de eerste vrouw aanwezig was. In de kantlijn lezen we het volgende: 'de
vergadering werd bovendien vereerd door het bezoek van a.s. verloofde van de praeses.
Mej. Truus Snoek'. Op 15 oktober 1956 werd het eerste vrouwelijke aspirant-lid toegelaten
in de persoon van amica J.C. Poortman. Zij werd op 28 januari 1957 geïnstalleerd als lid.
Het totale ledenaantal bleef gestaag groeien.
Al snel werd de traditie niet alleen bestudeerd op plenaire vergaderingen, maar ook op
studiekringen. In november 1953 werden de eerste officiële studiekringen opgezet: een
kerkhistorische kring en een kring over Bijbel en cultuur. Deze kringen bestonden uit zo’n
drie tot vier leden. Op de studiekringen, maar ook op de plenaire vergaderingen werd van
de leden een actieve participatie gevraagd. Te laat op de vergadering verschijnen kon
vanaf november 1953 niet meer ongestraft. De fiscus had een voorstel ingediend ter
verbetering van de financiële situatie van het dispuut. Naast een contributieverhoging tot fl
5,- hoorde daar ook fl. 0,25 boete bij ‘voor een ieder die te laat ter vergadering verschijnt
en voor een ieder die geen behoorlijk bericht van verhindering stuurt, als hij de
vergadering niet wenst bij te wonen’. Dat dit voorstel er echter niet zonder slag of stoot
door kwam, blijkt wel uit de slotzinnen van de notulen van deze vergadering: “Dan eindigt
de praeses met dankgebed. En bij hamerslag laat hij een, in de annalen van het dispuut
als de meest wanordelijke geboekstaafde, vergadering tot het verleden behoren.”

II. De jaren zestig
Er kwamen steeds meer studiekringen binnen Sola Scriptura. Ook de lezingen werden steeds vaker verzorgd door sprekers van buitenaf. Uit de onderwerpen van de lezingen blijkt een openheid naar buiten, maar ook werden er lezingen over de eigen traditie georganiseerd. In de periode van 1963 tot 1969 nam het ledenaantal toe van 70 tot 130. De grootte bleef van tijd tot tijd voor problemen zorgen. Het was niet te vermijden dat de onderlinge band losser werd. Verschillen van inzicht zorgden zo nu en dan voor botsingen. Sommige leden vonden dat Sola Scriptura en de C.S.F.R. als geheel zich teveel verwijderden van de achterban. Om de band zoveel mogelijk te versterken werd in 1964 het dispuutsblad Solafoon in het leven geroepen.

De kringstructuur werd in de jaren zestig uitgewerkt. Iedereen kon zich bij een studiekring en een Bijbelkring aansluiten. Vanaf 1961 nam iedereen deel aan een Bijbelkring. Hoewel veel Bijbelkringen actieve participatie kenden, werd er in de jaren zestig toch ook herhaaldelijk geklaagd over de lage opkomst bij de Bijbelkringen. Het zelfde euvel trof de overige vergaderingen. In het seizoen ‘66/’67 lag de gemiddelde opkomst op dertig personen, inclusief de gasten, terwijl Sola Scriptura toen zo’n negentig leden telde. Het viel overigens niet altijd mee goede lectores te vinden. In 1966 was de Voorjaarsweekendcommissiepraeses de wanhoop nabij toen na Dupuis (seksuoloog), RoscamAbbin, Kuitert en Rothuizen (theologen), ook de cultuurfilosoof F. de Graaff voor een lezing bedankte. Uit de mond van die commissiepraeses liet men optekenen: “Nu zit er waarschijnlijk niet veel anders op dan ons tevreden te stellen met een of andere dominee, die waarschijnlijk net zo veel zal zeggen als ieder van ons in een paar uur kan bedenken.” Zover hoefde het echter niet te komen, omdat de zenuwarts prof. Plokker gelukkig wél bereid was om te komen spreken. Al die professoren in de lezingencycli vielen bij sommige leden echter niet in goede aarde: het zou wel eens de doodsteek voor onze vereniging kunnen zijn, zo sprak een lid verontrust uit op een vergadering.

Er waren ook discussies over andere gewoonten van Sola Scriptura. Zo verdwenen de notulen enige tijd, en kwam er aan de andere kant weer een nieuwe traditie bij: het zingen op vergaderingen. Op 4 mei 1964 hief men bij de opening voor het eerst een psalm aan. Een lid vond het zingen wel erg jeugdverenigingsachtig, maar als het dan toch moest, dan moest het goed gebeuren, en daarom stelde hij ook het zingen van een tussenzang voor. Zover zou het niet komen, maar het zingen van een psalm of gezang aan het begin van de vergaderingen werd een vaste traditie.

III. De jaren zeventig
De jaren zeventig betekenden in meerdere opzichten een bloeiperiode voor Sola Scriptura: er werd flink gestudeerd en ook kwantitatief zat de groei er goed in. Het dispuut telde tussen de 130 en 150 leden. Het dispuutsblad Solafoon had zo’n hoog niveau dat het samengevoegd werd met het landelijke blad De Civitate, maar in 1978 werd een nieuw, onafhankelijk dispuutsblad opgericht: de AdRem (de regenpijp die op elke dakgoot past). De jaren zeventig hielden enerzijds dus bloei in voor Sola Scriptura, maar anderzijds zijn deze jaren ook wel geduid als een crisisperiode voor de C.S.F.R. Op landelijk niveau was er hommeles rondom bijvoorbeeld Schriftgezag en het Rotterdamse dispuut tikte Sola Scriptura af en toe flink op de vingers.

In de jaren zeventig stonden de tradities onder zware druk. Maatschappelijke veranderingen hadden hun weerslag op het dispuut. In de zestiger jaren werd het meer en meer gewoonte de leden bij de voornaam te vermelden in de notulen: dat gebeurde voordien ook al wel, maar toch in mindere mate. In 1970 bleek tijdens een ledenvergadering maar liefst de helft voor het afschaffen van formele aanspreekvormen als amica/amice en alle andere Latijnse termen te zijn en ook de bullen en de linten zag men liever verdwijnen. Met vond ‘de helft’ echter – terecht! – geen voldoende draagvlak om de tradities ook daadwerkelijk af te schaffen, zodat we deze mores nog steeds kennen.

De discussie over een eigen pand laaide overigens in dit decennium herhaalde malen op en is sindsdien nooit geheel verdwenen. Nimmer is het er echter van gekomen dat Sola Scriptura een eigen sociëteit zou hebben. Zodoende leiden we nog steeds een zwerversbestaan. Geheel zonder christelijke symboliek is dit niet.

IV. De jaren tachtig
Eind jaren zeventig kreeg Sola te kampen met een dalend ledental, wat zich begin jaren tachtig doorzette. In 1983 telde Sola nog maar 73 leden: een halvering van het aantal leden in 1976. Dat kwam mede door de toenemende studiedruk, waardoor theologen niet meer van zowel Sola Scriptura als een theologendispuut als Voetius lid werden. Na 1983 boog de dalende lijn van het ledenaantal weer om in een stijgende lijn.

In de jaren tachtig kwam er hernieuwde belangstelling voor stijl. Zo werd de dispuutsinstallatie, die vanaf 1971 in onbruik was geraakt, in 1982 geherintroduceerd. En vanaf 8 maart 1990 konden de vergaderingen geopend worden met een eigen dispuutslied. Na anderhalf jaar voorbereiding door een speciale dispuutsliedscommissie, was er eindelijk een lied ‘met herkenbare talige elementen en een toegankelijke melodie’. Het gregoriaans getoonzette ‘In Rheno’ heeft vanaf 1990 elke vergadering weerklonken en tijdens een introductieweek eind jaren negentig heeft zelfs het carillon van de Domtoren het lied aan de gehele stad ten gehore gebracht. Als we bedenken dat reeds in 1954 het verzoek werd gedaan tot een ‘clublied’ dan kunnen we niet zeggen dat het er uiterst vlot van gekomen is, maar het resultaat mag er zijn.

V. De jaren negentig
In de eerste helft van de jaren negentig groeide Sola Scriptura tot bijna 200 leden, waardoor er weer discussies ontstonden over een structuurwijziging. Om wat aan het probleem van de grootte van het dispuut te doen, werd in 1999 het verschijnsel ‘clusterhuis’ bedacht en geïntroduceerd, waarbij een drie- of viertal Bijbelkringen een cluster vormden, dat iedere keer in hetzelfde huis bijeenkwam. Ook kwam weer de aloude vraag naar het studiekarakter bovendrijven. De eenheid van vijftig jaar C.S.F.R. ligt blijkbaar net zoveel in studie als in het geklaag over gebrek aan studie. Daarmee wil overigens niet gezegd zijn dat er geen verschuivingen in studiezin kunnen zijn, die zich uiten in de onderwerpen die bestudeerd worden. Er werden meer existentiële vragen besproken, en de plaats van de belijdenisgeschriften werd ter discussie gesteld.

Het kringleven verliep goed, waarbij talloze onderwerpen aan bod kwamen, als daar zijn: Miskotte, Barth en Martin Buber, maar in 1994 werd er ook melding gemaakt van een tv-kring, waarbij men allerlei soorten programma’s ging bestuderen. Ook ‘serieuze programma’s als Sesamstraat en EO’s Tijdsein’, zo meldde de aankondiging.

VI. De jaren tweeduizend
In het eerste decennium van de 21e eeuw had Sola Scriptura vooral een behoud van identiteit en karakter op het oog. De vereniging bleef qua ledenaantal redelijk stabiel en richtte zich vooral op de optimalisering van de bestaande structuren en professionalisering van communicatie en actieve presentie binnen de studentenwereld. De tradities bleven onverminderd gehandhaafd, bijvoorbeeld door de moresmaaltijd in de introweek, waar de moresprediker de mores uitlegt aan de feuten. Er werd als altijd geklaagd over de inactiviteit van leden en het gebrek aan studiekarakter dat Sola Scriptura zou blijven kenmerken. Toch is in deze tijd die discussie niet onbelangrijk. De studiedruk wordt steeds groter en veel leden zijn na vier jaar studeren klaar. Het aantal ouderejaars is sterk afgenomen, waardoor ook de doorstroom binnen het dispuut steeds groter is geworden. En met de toenemende druk op studenten om snel af te studeren, is het vurig hopen dat men het belang van een intensieve, vormende studentenvereniging in blijft zien.

Besluit
Als we terugkijken kunnen we het beeld van zestig jaar Sola Scriptura in een paar tweetallen karakteriseren: rijk aan traditie maar dynamisch, gereformeerd maar open, studerend maar amicaal, studentikoos maar alledaags. We zien de discussies over inactiviteit, studiekarakter, verhouding tot de grondslag en een eigen pand steeds terugkomen. Er is weinig nieuws onder de Sola-zon, maar zij blijft steeds verlichten. Al generaties lang.